Op 28 augustus 2026 publiceerde de European Society of Cardiology (ESC) de nieuwe richtlijnen voor de behandeling van hartfalen. Ze brengen een aantal belangrijke wijzigingen met zich mee, zowel op het vlak van classificatie als van medicamenteuze en niet-medicamenteuze behandeling.
Een van de meest opvallende veranderingen is de vereenvoudiging van de classificatie op basis van de linkerventrikelejectiefractie (LVEF). De afzonderlijke categorie HFmrEF (hartfalen met mild gereduceerde LVEF) verdwijnt. Hartfalen met een LVEF < 50% wordt voortaan beschouwd en behandeld als HFrEF (hartfalen met gereduceerde LVEF), terwijl HFpEF onveranderd verder wordt gedefinieerd als hartfalen met een LVEF ≥ 50%. Deze wijziging weerspiegelt de groeiende evidentie dat hartfalenpatiënten met een LVEF van 41 – 49% wat betreft pathofysiologie, prognose en respons op verschillende behandelingen meer aansluiten bij HFrEF dan bij HFpEF.
Daarnaast krijgt ook de indeling van hartfalen volgens 4 stadia (A tot D) meer nadruk. Stadium A omvat patiënten met cardiovasculaire risicofactoren zonder structurele hartziekte, stadium B patiënten met structurele hartafwijkingen maar zonder symptomen (maar dus wel een verhoogd risico op evoluatie naar symptomatisch hartfalen), terwijl stadium C en D respectievelijk symptomatisch en gevorderd hartfalen omvatten. Hierdoor krijgt preventie van hartfalen, met name in stadium A en B, een nog prominentere plaats. Preventie van het krijgen van hartfalen door een gezonde levensstijl en een goede controle van de bloeddruk, cholesterol en diabetes mellitus.
Ook de therapeutische terminologie verandert. De term guideline-directed medical therapy (GDMT) wordt onderverdeeld in drie componenten:
- Foundational Medical Therapy (FMT) : de basis- of fundamentele behandeling (klasse I aanbevelingen – altijd aanbevolen).
- Additional Medical Therapy (AMT) : bijkomende behandelingen volgens het individuele patiëntprofiel (klasse II aanbevelingen – te overwegen).
- Guideline-Directed Interventional Therapy (GDIT) : device- en interventionele behandeling.
Het uitgangspunt is duidelijk: start bij iedere geschikte patiënt zo snel mogelijk met de fundamentele therapie (FMT) en voeg vervolgens behandelingen toe volgens fenotype, comorbiditeiten en klinische toestand.
De belangrijkste veranderingen voor de dagelijkse praktijk zijn:
- Uitbreiding van de HFrEF-behandeling tot LVEF < 50% in plaats van vroeger £ 40%. De vroegere HFmrEF-groep wordt geïntegreerd in HFrEF. Neurohormonale behandeling (ACE-inhibitoren, sartanen, ARNI, beta-blokkers, MRA) krijgt hierdoor een bredere indicatie.
- Mineralocorticoïdreceptorantagonisten (MRA) krijgen een prominentere rol over het volledige LVEF-spectrum. De nieuwe richtlijnen plaatsen MRA binnen de foundational medical therapy bij hartfalen onafhankelijk van de LVEF. De grootste prognostische benefit wordt wel gezien bij een LVEF < 50%.
- Digitalis maakt opnieuw duidelijker deel uit van het therapeutische arsenaal bij HFrEF als additionele therapie. Op basis van recentere gegevens wordt de aanbeveling voor lage dosis digoxine of digitoxine opgewaardeerd, vooral bij geselecteerde patiënten met ernstiger HFrEF, lagere bloeddruk, snellere hartslag in rust en persisterend risico op worsening heart failure. Digitalis mag niet zomaar gestopt worden.
- GLP-1-gebaseerde therapie krijgt een plaats bij HFpEF en obesitas. Semaglutide en tirzepatide kunnen bij deze patiënten worden overwogen, ook zonder diabetes, met gunstige effecten op gewicht, symptomen, levenskwaliteit, functionele capaciteit en een reductie van het aantal hartfalenevents. Deze medicatie kan bij patiënten met obesitas en/of diabetes zonder symptomatisch hartfalen (stadium A of B) ook het risico verlagen op evolutie naar symptomatisch hartfalen (stadium C of D).
- De vroegere benaming ‘acuut hartfalen’ wordt vervangen door de term ‘gedecompenseerd hartfalen’, omdat hartdecompensatie niet altijd snel of acuut optreedt met nood aan een hospitalisatie. Soms treedt hartdecompensatie ook eerder traag op en soms is ook ambulante behandeling mogelijk. Het therapeutische doel is een zo volledig mogelijke decongestie. Naast lisdiuretica kunnen bij onvoldoende respons acetazolamide of een thiazidediureticum worden toegevoegd. Tegelijk wordt sterk ingezet op het vroeg starten en optitreren van de FMT en een snellere introductie van een SGLT2-inhibitor tijdens de hospitalisatie. Na ontslag wordt een intensieve opvolging gedurende de eerste zes weken aanbevolen.
- Bij HFimpEF (heart failure with improved ejection fraction) blijft voorzichtigheid geboden met het afbouwen van therapie. In principe wordt de foundational therapy onveranderd verder gezet na herstel van de LV ejectie fractie. Enkel bij zorgvuldig geselecteerde, langdurig stabiele patiënten met een volledige normalisatie van de hartfunctie kan een gefaseerde afbouw van de medicatie worden overwogen, onder nauwgezette klinische, echocardiografische en biochemische opvolging.
- Ook bij device therapy verschuift de aandacht naar vroeger ingrijpen. Bij HFrEF met een breed QRS-complex ³150 ms en linker bundeltakblok moet CRT (cardiale resynchronisatietherapie) sneller worden overwogen en gepland, omdat de kans op verbetering van de LVEF door medicamenteuze therapie in deze groep veel lager is.
- Tot slot blijft multidisciplinaire hartfalenzorg essentieel. Patiënteneducatie, opvolging van therapietrouw en volumestatus, revalidatie, vermijden van medicatiegerelateerde schade en een goed georganiseerde transmurale opvolging blijven cruciale onderdelen van kwaliteitsvolle hartfalenzorg.
De nieuwe ESC-richtlijnen betekenen daarmee niet alleen een aanpassing van afzonderlijke behandelingsadviezen, maar vooral een verdere verschuiving naar vroegtijdige preventie, snelle implementatie van prognostisch belangrijke therapieën en een geïndividualiseerde, multidisciplinaire aanpak over het volledige hartfalenspectrum.
Aanpassing van deze website
De komende maanden zullen we deze website stapsgewijs aanpassen aan de nieuwe 2026 ESC-richtlijnen hartfalen. De informatie voor zorgverleners wordt geactualiseerd volgens de nieuwe classificaties, terminologieën en therapeutische aanbevelingen.Ook het gedeelte voor patiënten wordt grondig herwerkt. Daarbij willen we niet alleen de inhoud aanpassen aan de nieuwe richtlijnen, maar de informatie ook nog toegankelijker en patiëntvriendelijker formuleren, zodat patiënten en hun naasten beter begrijpen wat hartfalen is, welke behandelingen mogelijk zijn en waarom een goede opvolging zo belangrijk is.